Ontwikkeling van de stad en omvesting

Inleiding

Dit is het tweede kaartbeeld uit de reeks van vijf waarin de ontwikkeling van de structuur van de binnenstad wordt geschetst en toegelicht met aanklikbare vensterteksten.
Te zien zijn, op de ondergrond van de ontginningen:

  • de drie groeifases van de binnenstad;
  • de complete bedijking van de Hollandse IJssel en de Nieuwe Haven;
  • de Donkere Sluis tussen Gouwe en Haven;
  • de gegraven weteringen als afwatering van de ontginningen op de Hollandse IJssel;
  • de Gouwe als vaarroute (en niet als afwatering!);
  • de grachten, zijlen en straten, de markt en de locatie va het Kasteel;
  • de stadssingels;
  • de routes over kades en dijken;
  • de uitleg van de stad buiten de singels.

Ontstaan

  • Gouda ontstond bij de uitmonding van de Gouwe in de Hollandsche IJssel. Daar werd rond 1250 een haven gegraven. Al in 1350 bereikte Gouda met de aanleg van de singels de omvang van de huidige binnenstad.
  • Het gebied binnen de singels was in 1350 zo ruim opgezet dat er eeuwenlang plaats genoeg was om de bevolkingsgroei en de toename van bedrijven op te vangen (verdichting binnen de singels).
  • de Goudse ‘Gouden Eeuw’ (1350-1475) volstond om - door verdichting - talrijke immigranten, religieuze instellingen en de nieuwe zetels van de macht een plek te bieden.
  • Gouda kreeg stadsrechten in 1272, tolprivileges in 1272 en 1282, singels in 1350-1352, een ommuring vanaf 1360 en een kasteel in 1360-1385. Dat onderstreepte het strategische belang van de stad als grenspost tussen Holland en Utrecht.
De verdedigingswerken rondom de middeleeuwse stad (huidige binnenstad): poorten, torens, rondelen, ravelijnen, bastions en het kasteel.

Binnenvaartroute en haven

  • De opkomst van Gouda hield verband met een nieuwe scheepvaartroute die rond 1250 ontstond tussen de Oude Rijn en de Hollandsche IJssel (door het Hollandse veengebied). Hiervoor sloot de Hollandse graaf een overeenkomst met Noord-Duitse kooplieden. Tolgelden zorgden voor de financiering.
Nieuwe schakels in de noord-zuid vaarroute: de de Does, de Zijl en de Heimanswetering.

Nieuwe schakels in de noord-zuid vaarroute: de doorgraving van de Gouwe richting Oude Rijn.

  • De nieuwe scheepvaartroute ‘binnen duinen' via Gouda verbond de buitenwateren van de Zuiderzee en de Hollandsche IJssel, omzeilde de gevaarlijke Noordzee, verbond de Duitse Hanzesteden met Vlaanderen en later ook Amsterdam met Rotterdam.
Het Hoogheemraadschap van Rijnland in de middeleeuwen.

  • Aan de plek waar de schepen overgingen van het binnenwater (Gouwe) naar het buitenwater (Hollandsche IJssel) dankte Gouda haar haven en primaire bestaansmiddelen: handel, overslag, scheepsbouw en aanverwante nijverheid.
  • De langgerekte haven was een afsnijding van de Gouwe, stond in open verbinding met de Hollandsche IJssel en werd geflankeerd door hoge dijken (Oost- en Westhaven). Het was lange tijd een getijdehaven: bij vloed liep de haven vol met rivierwater en konden schepen binnenvaren.
  • Aan het begin van de haven werd omstreeks 1300 eerst een dam gelegd en later een sluis gebouwd (oudste vermelding 1321). Deze keersluis beschermde Gouda tegen hoog water en kon geopend worden voor de scheepvaart.
  • Aanvankelijk was alleen sprake van een buitenhaven (tussen de rivier en de sluis), totdat in 1437 ter hoogte van de Turfmarkt een tweede keersluis in de Gouwe werd gebouwd. Daardoor ontstond een binnenhaven waar schippers wachtten op het juiste tij om geschut te kunnen worden.
  • Door de sluizen, getijdewerking en lange wachttijden was Gouda een beruchte flessenhals op de binnenvaartroute. Omdat de Staten van Holland veel geld verdienden met de tol- en sluisgelden werden alternatieve routes verboden en met geweld bestreden.
  • De flessenhals en de drukte op de binnenvaartroute dwong de landsheer en het Goudse stadsbestuur tot het vaststellen van verkeersregels op het haventraject van Potterspoort tot IJssel: elk product had eigen ligplaatsen in de stad.
  • Om de druk te verlichten kwam er in 1580 een tweede verbinding tussen de Gouwe en de Hollandsche IJssel. Die verbinding liep buitenom via de Turfsingel en de Mallegatsluis, en had een zeer grote schutsluis met een dubbel stel deuren.
  • De haven verloor haar functie voor het scheepvaartverkeer in 1936 na de opening van het Gouwe- en Stroomkanaal. Het werd er nog stiller toen in 1954 de doorgang naar de Hollandsche IJssel werd gedicht. De stedelijke elite bleef er wel wonen.

Waterhuishouding

  • De variërende waterstanden in de Hollandsche IJssel speelden in de waterhuishouding van Gouda eeuwenlang een belangrijke rol: inlaat van schoon water bij vloed en afvoer van vuil water bij eb.
  • In de waterhuishouding van Gouda zorgden zijlen voor de doorlaat van het rivierwater. Op deze wijze werden tussen 1784 en 1954 de grachten doorgespoeld (‘schutten en schuren’).

Stadsontwikkeling

  • Bij de uitleg van de stad tussen 1250 en 1350 werden de haven, Gouweloop en ontginningen als uitgangspunt genomen voor het stelsel van wegen, grachten en bruggen. Die middeleeuwse structuur is thans nog grotendeels herkenbaar.
  • In de Goudse stadsuitleg zijn twee fases te onderscheiden: de Oude Stad tot Raam/Turfmarkt/Zeugstraat/Spieringstraat dateert uit 1250-1300, en de Nieuwe Stad tot en met de stadssingels uit 1320-1350.
  • Ter plaatse van de huidige Molenwerf e.o. strekte zich een grote hofstede uit: het adelsgoed van de Heren van der Goude. Dit hof bestond uit een woonverblijf, boerderijen, paardenwed, boomgaard, kapel, een omgrachte motte (bewoond tot 1304) en een omgrachte voorhofstede.
    • Onderdeel van het hof was een zogeheten motte: een ronde kunstmatige hoogte met ringgracht en een sterkte in de vorm van een woontoren of burcht. Opvallend is de nog herkenbare ronde vorm in het regelmatige verkavelingspatroon van de binnenstad.
    • Onderdeel van het hof was een (stads)heerlijke kapel. Deze stond ofwel ter plaatse van de huidige Sint-Janskerk, ofwel op de voorhofstede bij het koor van de Gasthuiskapel.
    • Onderdeel van het hof was een boomgaard. Dit terrein werd in 1368 voor het eerst aangeduid als het ‘marktveld' en in 1395 gekocht door de stad om er een stadhuis te bouwen (1450). Het was een laag en drassig terrein dat met stadsvuil werd opgehoogd.
  • Jan van Blois nam in 1361 het initiatief tot de bouw van een nieuw kasteel in de zuidoostelijke hoek van de stad, direct langs de IJssel en de haven. Dat kasteel kwam in 1385 gereed.
  • Bij de uitgifte van huiserven werden de langgerekte ontginningskavels overdwars opgedeeld in percelen met een breedte van 2,5 tot 3 roeden (9 tot 10,5 meter). Door geleidelijke verdichting was het aantal van 900 percelen in 1400 een eeuw later ongeveer verdubbeld.
  • Vooraan op een perceel werd een houten huis met rieten dak gebouwd. Na de verwoestende stadsbranden van 1361 en 1438 begon de verstening van de huizen. Ook werden de grachten voorzien van stenen kademuren.
  • De plattegrond van de binnenstad bleef eeuwenlang vrijwel gelijk. Karakteristiek voor de hoofdopzet zijn de volgende punten:
Plattegrond van Gouda uit 1559: uitsnede kaart Jacob van Deventer.

    • De Markt met Stadhuis (1448-1459), Waag (1668) en kantongerecht (Arti Legi, 1855) vormde het bestuurlijke en economische hart van de stad. In aansluiting hierop ontwikkelde het tracé Kleiweg, Hoogstraat, Wijdstraat zich in de 20e eeuw tot winkelstraat.
    • De Sint-Janskerk ligt terzijde van de Markt en is met de opeenvolgende uitbreidingen over de oorspronkelijke Tiendweg heen gebouwd. De Kleiwegkerk (1879) en de Gouwekerk (1902-1904) getuigen van het katholiek reveil aan het einde van de 19e eeuw.
    • In het enigszins geïsoleerde gebied rond de Spieringstraat en Groeneweg lagen vanouds grote instellingen, zoals het Weeshuis, Huize Groeneweg, kloosters en scholen.
    • In de spreiding van de huizen was sprake van een zekere hiërarchie: voorname huizen aan de hoofdstraten (Oost- en Westhaven, Lage en Hoge Gouwe, Turfmarkt), middenstandswoningen in de zijstraten en arbeiderswoningen in de achterstraten (Vogelenzang).
    • Kenmerkend voor Gouda is dat straten veelal maar aan één zijde waren bebouwd: de straat met bebouwing enerzijds, de gracht met groen achtererf anderzijds. Dat is nog vrijwel overal te zien, zoals in de Spieringstraat en de Peperstraat: asymmetrische blokken aan weerszijden van de Haven.
  • Nadat Gouda in de zomer van 1572 partij moest kiezen voor de opstandelingen tegen Spanje begon een proces van verkoop, herbestemming en afbraak van veel religieuze gebouwen. Behalve het kasteel verdwenen en transformeerden diverse kapellen en kloosters.
Plattegrond van Gouda uit 1649 van Johannes Blaeu: binnen de stadsmuren bebouwing en onbebouwde percelen, daarbuiten tuinen en bleekvelden.

    • De sloop van het kasteel stond symbolisch voor het herwonnen zelfvertrouwen van het Goudse stadsbestuur en voltrok zich grotendeels in de periode 1577-1582. In 1808 werd de laatste toren van het kasteel gesloopt.
    • Van de kapellen in Gouda werden de Noodgodskapel, Antoniuskapel en Remijnskapel gesloopt. De overige kapellen deden nog eeuwenlang dienst onder een andere bestemming.
De middeleeuwse kapellen en gasthuizen in de binnenstad.

    • Van de kloosters in Gouda werden het Minderbroederklooster en Regulierenklooster gesloopt. Andere kregen een herbestemming, zoals het Margarethaklooster (weeshuis), het Cellebroedersklooster (Latijnse School), het Mariaklooster (Proveniers) en het Catharinaklooster (Tuchthuis).
De verdwenen kloosters in de binnenstad.

  • De binnenstad transformeerde en moderniseerde in de 19e en 20e eeuw in snel tempo als gevolg van o.a. de industrialisatie, bevolkingsgroei en cityvorming.
    • Veel vestingwerken werden in de 19e eeuw gesloopt: de Chartertoren (1808), de stadsmuur en -torens (1811-1817), de Potters- en Kleiwegpoort met bastions (1843) en de Rotterdamse-, Veerstal- en Tiendewegspoort (1851-1854).
    • Na de sloop van de vestingwerken in de eerste helft van de 19e eeuw werd op de plek van het vroegere kasteel en langs de Fluwelensingel het Houtmansplantsoen aangelegd in Engelse landschapsstijl (Groenewegen & Zn., 1897).
    • De gefaseerde aanleg van het stadsriool leidde omstreeks 1871 tot de demping van de zijlen achter de Houtmansgracht, het Sint Anthonieklooster, de Bank van Lening, de Nieuwsteeg en langs de Vogelenzang.
    • Na de vervanging van de zijlen door riolering volgde in de 20e eeuw de demping van onder meer de wateren in de Groeneweg en Tuinstraat (1903), het Agnietenwater (1911), Verloren Kost (1930), Moordrechtse Verlaat (1935), Kazernegracht (1938), Bloemendaalse Verlaat (1939), Nieuwehaven (1940), Nonnenwater en Achter de Vismarkt (1954), Raam en korte Raam (1961-1962).
De sinds 1828 gedempte waterlopen in de binnenstad.

    • Na de Tweede Wereldoorlog leidde een uittocht van bewoners, instellingen, scholen en overheidsdiensten naar de stationsomgeving en de nieuwe buitenwijken tijdelijk tot leegstand, afbraak en verpaupering in de binnenstad.
    • Grote verkeersdoorbraken in de binnenstad kwamen er na de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk niet. Wel werd er gesloopt in het tracé Lange Noodgodsstraat – Doelenstraat, de Agnietenstraat aangelegd op de vml. exercitieplaats en veemarkt (1976), en de Nieuwe Marktpassage aangelegd (1990).

Nijverheid en industrie

  • Gouda floreerde in de periode 1350-1475 als exporterende industriestad. De bedrijvigheid lag langs de Gouwe en de haven.
    • Het belangrijkste exportproduct was bier. De IJssel voerde voldoende schoon zoet water aan. De directe omgeving van Gouda leverde hop en haver.
    • Het relatief schone en kalkarme IJsselwater werd ook gebruikt door de lakenindustrie, en later tevens door touwslagerijen en blekerijen. Deze ruimtevretende en overlast veroorzakende activiteiten lagen direct buiten de stadswallen.
    • De ramen, doelen en lijnbanen bevonden zich in de dun bebouwde randen van de stad. De ramen lagen oorspronkelijk langs de Zeugstraat, later aan de Raam, maar ook buiten de stad nabij de Tiendewegspoort. De doelen en de lijnbanen lagen alleen langs de vesten.
    • Buiten de Dijkspoort en buiten de Potterspoort lagen de scheepswerven. Dat waren er in de 15e eeuw nog minstens dertien, maar het aantal liep in de 17e eeuw flink terug. In Gouda werden voornamelijk kleinere schepen geproduceerd.
  • Tijdens de economische neergang in de periode 1475-1600 kwamen de handel in kaas, turf en bomen op.
    • Gouda verwierf uiteindelijk wereldfaam met een volvette kaas die buiten de stad werd geproduceerd en alleen in Gouda werd verhandeld (de Waag, 1668-1669).
    • Ten westen van de Gouwe werd hoogwaardig turf gedolven. De turfhandel was gericht op eigen gebruik als brandstof voor de brouwerijen in de stad en de steenbakkerijen langs de rivier. Tevens werd er turf geëxporteerd.
    • Direct buiten de singels was naast bedrijvigheid ook ruimte voor moestuinen, siertuinen, boomgaarden en kwekerijen: enten en kweken van jonge bomen.
  • In de loop van de 17e eeuw groeide Gouda uit tot de grootste pijpenstad ter wereld. De productie van pijpen was destijds dé motor van de lokale economie. Daarnaast bestonden er in Gouda ook diverse plateelfabrieken.
  • In de 17e eeuw telde Gouda in het Raamgebied ook talloze kleine pottenbakkerijen waar huishoudelijk aardewerk werd gemaakt van klei uit de omgeving. De klei uit het stroomgebied van de Hollandsche IJssel vormde de grondstof voor de talrijke baksteenovens in het rivierengebied.
  • Na enkele decennia van algehele malaise, stagnatie en armoede beleefde Gouda na 1850 weer een nieuwe economische opleving. De algemene situatie verbeterde door de introductie van nieuwe infrastructuur, nutsvoorzieningen en industrieën.
    • De bedrijvigheid bleef tot ca. 1900 hoofdzakelijk gevestigd in de binnenstad en bestond o.a. uit pijpmakerijen, pottenbakkerijen, garenspinnerijen. Grote bedrijven buiten de singels waren: de Stearine Kaarsenfabriek (1858) en de Machinale Garenspinnerij (1861).
    • De gemeentegrenscorrectie van 1823 markeerde het begin van de geleidelijke uittocht van kwekerijen naar Boskoop. De vrijgekomen ruimte aan de stadsrand werd later ingenomen door gas-, elektriciteits-, machine-, sigaren-, tabaks- en plateelfabrieken.
    • De scheepsbouw in Gouda trok eind 19e eeuw aan, mede als gevolg van de opening van het Merwedekanaal (1892). Ook de rederijen ging het voor de wind met diensten op Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Leiden en Boskoop.
    • Na de afschaffing van de stedelijke privileges in 1795 konden schippers vrij hun vaarroute kiezen. Daardoor boette Gouda aan belang in.

Regionale verbindingen

  • De belangrijkste verbindingen met de buitenwereld verliepen eeuwenlang via de natuurlijke waterwegen. De verbinding met Amsterdam over water werd in 1658 verbeterd door de aanleg van een trekvaart met jaagpaden langs de Gouwe (tot 1824 gefunctioneerd).
  • De moeilijk begaanbare landwegen zoals de Winterdijk lagen verhoogd op dijken of kaden (tiendwegen). Vanaf de Kleiweg, Veerstal en Lange Tiendeweg onderhielden wagenveren passagiersdiensten over landwegen naar o.a. Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen en Utrecht (vanaf 1581).
    • De verbinding over land met Amsterdam werd vanaf 1594 verbeterd door de aanleg van de rijweg langs de Gouwekade richting Amsterdam. De tol op de Amsterdamse Rijweg werd pas in 1944 opgeheven.
    • De verbinding over land met Rotterdam werd in 1679-1680 verbeterd door de aanleg van de Rotterdamse Straatweg: een met klinkers bestrate tolweg die vanaf de Rotterdamse Poort over de IJsseldijk naar Kortenoord en verder voerde.
    • De verbinding over land naar Bodegraven werd in 1835-1839 verbeterd door de aanleg van de Bodegraafsestraatweg op de bestaande kaden. Dit betrof een particulier initiatief met tolheffing.

Bronnen:
Denslagen, W., 2001. Gouda. Waanders, Zwolle / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist.
Abels, P. (red.), 2002. 1000 jaar Gouda, een stadsgeschiedenis. Uitgeverij Verloren, Hilversum.
Die Goude, 2012-2014. Stad van de Gouwenaars: een beschrijving van de Goudse wijken, straten, bruggen en waterlopen. 4 delen, Gouda 2012-2014